Goed of fout

Welke zin is goed?

Controleer welke zinnen goed zijn en vink die aan.


regels

De normale zin Volgorde: Onderwerp – persoonsvorm – rest van de zin – infinitief/perfectum Voorbeeld: Ik fiets naar huis. / Ik wil naar huis fietsen. / Ik ben naar huis gefietst.

  1. Tijd
    tijd is belangrijk in Nederland en dat noemen we meestal als eerste in een zin. Het tijdstip kan ook helemaal vooraan in de zin komen te staan. Dan volgt er altijd een inversie.
  2. Manier
    hoe gebeurt het?
  3. Plaats
    de plaats wordt meestal als laatste genoemd.

Kijk maar eens naar deze voorbeelden:

  • Ik fiets nu snel naar huis.
  • Ik ga morgen op de fiets naar het werk.
  • Vandaag ga ik op de fiets naar het werk.

Inversie

Volgorde: Persoonsvorm – onderwerp – rest van de zin – infinitief/perfectum
Voorbeeld: Fiets ik naar huis? / Morgen fiets ik naar huis. / Morgen wil ik naar huis fietsen.

In sommige situaties wisselen het onderwerp en de persoonsvorm van plek (inversie), namelijk:

  • Bij vraagzinnen
  • Als er een woordgroep vooraan in de zin wordt geplaatst, zoals het woord ‘morgen’ in het voorbeeld.

Terug